De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 5 maart 2025 was opgelegd. Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, stelde dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring reeds eerder rechtmatig was bevonden en richtte zich op het voortduren van de maatregel sinds 8 mei 2025. Uit het voortgangsrapport bleek dat de nationaliteit van eiser inmiddels was bevestigd, een laissez-passer was afgegeven en een vlucht naar Marokko geboekt voor 13 juni 2025. Hiermee was er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Eiser voerde verder aan dat verweerder onvoldoende inspanningen had verricht, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door rappellen en het verkrijgen van reisdocumenten. Ook het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast faalde, omdat het risico op onttrekking aan toezicht bleef bestaan en geen persoonlijke omstandigheden dat rechtvaardigden.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd eiser geen proceskostenvergoeding toegekend.