ECLI:NL:RBDHA:2025:10565

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
NL25.25449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 5 maart 2025 was opgelegd. Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, stelde dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld.

De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring reeds eerder rechtmatig was bevonden en richtte zich op het voortduren van de maatregel sinds 8 mei 2025. Uit het voortgangsrapport bleek dat de nationaliteit van eiser inmiddels was bevestigd, een laissez-passer was afgegeven en een vlucht naar Marokko geboekt voor 13 juni 2025. Hiermee was er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Eiser voerde verder aan dat verweerder onvoldoende inspanningen had verricht, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door rappellen en het verkrijgen van reisdocumenten. Ook het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast faalde, omdat het risico op onttrekking aan toezicht bleef bestaan en geen persoonlijke omstandigheden dat rechtvaardigden.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd eiser geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25449

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 6 juni 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 13 juni 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [1] Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds de sluiting van het onderzoek in het laatste vervolgberoep, 8 mei 2025.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser zit al meer dan drie maanden in vreemdelingendetentie en er is nog altijd geen laissez-passer (hierna: lp) afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten en er is ook geen presentatiedatum bekend. Eisers identiteit en nationaliteit staan niet vast. Eiser is ook niet in het bezit van documenten waarmee hij kan aantonen dat hij uit Marokko komt.
5. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Uit het voortgangsrapport volgt namelijk dat eisers nationaliteit inmiddels is bevestigd door de Marokkaanse autoriteiten, een lp is afgegeven en een vlucht is geboekt voor uitzetting van eiser op 13 juni 2025 naar Marokko.
Voortvarend handelen
6. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft sinds het laatste beroep slechts één keer een rappel gestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten in het kader van de lp-aanvraag. Ook heeft verweerder geen vertrekgesprek met eiser gehouden. Naast het schriftelijke rappelleren heeft verweerder onvoldoende inspanningen verricht om het dossier van eiser extra onder de aandacht te brengen van de Marokkaanse autoriteiten.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft op 21 mei 2025 een rappel verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Op 28 mei 2025 heeft verweerder een bericht ontvangen van het Marokkaanse consulaat dat eisers nationaliteit is vastgesteld. Vervolgens heeft verweerder een lp ontvangen en heeft hij op 4 juni 2025 een vluchtaanvraag verzonden. Op deze dag heeft verweerder de vluchtgegevens ontvangen en is bekend geworden dat eiser op 13 juni 2025 wordt uitgezet naar Marokko. Door eiser zijn overigens geen concrete aanknopingspunten aangedragen dat zijn uitzetting sneller kan geschieden.
Lichter middel
8. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ook in een later stadium van de bewaring niet is overgegaan tot het toepassen van een lichter middel zoals een meldplicht of borgtocht. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium, een belangenafweging dient daarom te worden gemaakt.
9. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, zijn nog steeds van toepassing. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die, gelet op het onttrekkingsrisico, maken dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Verder is ook is niet gebleken dat de bewaring onevenredig bezwarend is.
Ambtshalve toetsing
10. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4185 en 13 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8327.