ECLI:NL:RBDHA:2025:10653
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen kennelijke gegrondverklaring beroep asielaanvraag; beroep niet-ontvankelijk
Eiser stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank had op 1 mei 2024 het beroep kennelijk gegrond verklaard en verweerder veroordeeld tot betaling van een dwangsom en proceskosten. Opposant deed verzet tegen deze uitspraak, stellende dat hij niet de gelegenheid had gekregen een verweerschrift in te dienen en dat de rechtbank geen rekening had gehouden met relevante jurisprudentie en het besluit van 31 augustus 2023 waarin de asielaanvraag was ingewilligd.
De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond was omdat opposant terecht stelde dat hij niet adequaat was gehoord en dat de rechtbank onterecht het beroep kennelijk gegrond had verklaard. Hierdoor verviel de uitspraak van 1 mei 2024 en werd het onderzoek hervat.
De rechtbank besloot vervolgens het beroep inhoudelijk af te doen, omdat verweerder inmiddels een inwilligend besluit had genomen op de asielaanvraag, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
Ten slotte veroordeelde de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser wegens het niet tijdig beslissen. Tegen de uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk, wel tegen de beslissing op het beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard nadat verweerder een besluit heeft genomen.