ECLI:NL:RBDHA:2025:10653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
18 juni 2025
Zaaknummer
NL23.24134
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:56 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen kennelijke gegrondverklaring beroep asielaanvraag; beroep niet-ontvankelijk

Eiser stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank had op 1 mei 2024 het beroep kennelijk gegrond verklaard en verweerder veroordeeld tot betaling van een dwangsom en proceskosten. Opposant deed verzet tegen deze uitspraak, stellende dat hij niet de gelegenheid had gekregen een verweerschrift in te dienen en dat de rechtbank geen rekening had gehouden met relevante jurisprudentie en het besluit van 31 augustus 2023 waarin de asielaanvraag was ingewilligd.

De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond was omdat opposant terecht stelde dat hij niet adequaat was gehoord en dat de rechtbank onterecht het beroep kennelijk gegrond had verklaard. Hierdoor verviel de uitspraak van 1 mei 2024 en werd het onderzoek hervat.

De rechtbank besloot vervolgens het beroep inhoudelijk af te doen, omdat verweerder inmiddels een inwilligend besluit had genomen op de asielaanvraag, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Ten slotte veroordeelde de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser wegens het niet tijdig beslissen. Tegen de uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk, wel tegen de beslissing op het beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard nadat verweerder een besluit heeft genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.24134 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, opposant
(gemachtigde: mr. F.P. Dalhuizen),

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[eiser], geopposeerde tevens eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Bij uitspraak van 1 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiser kennelijk gegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzet
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder een zitting te houden. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen, mits het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 mei 2024 geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder niet-tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser. Daarbij heeft de rechtbank de door verweerder verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.442, verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van de uitspraak, bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 7.500, en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 1 mei 2024 terecht is geoordeeld dat het beroep gegrond is zonder dat er redelijke twijfel over bestaat. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep kennelijk gegrond was, omdat opposant niet de gelegenheid heeft gekregen om voorafgaand aan de uitspraak een schriftelijk standpunt in te nemen. Daarnaast heeft de rechtbank volgens opposant geen rekening gehouden met vigerende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met betrekking tot de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom in asielprocedures. Opposant zou op deze jurisprudentie hebben gewezen in een verweerschrift. Ook zou opposant hebben gewezen op het besluit van 31 augustus 2023, waarin de asielaanvraag van eiser ingewilligd is. Dit besluit heeft opposant op 5 juni 2024 aan het digitale dossier toegevoegd.
4. De rechtbank volgt opposant hierin. Opposant stelt zich terecht op het standpunt dat de rechtbank niet verzocht heeft om een verweerschrift, hoewel in het procesverloop staat dat verweerder de gelegenheid van verweer heeft gehad. Daarnaast had opposant bij een onderzoek ter zitting in de zin van artikel 8:56 van Pro de Awb kunnen aanvoeren dat reeds was beslist op de asielaanvraag en kunnen wijzen op de jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom in asielzaken. De rechtbank is gelet hierop onterecht tot het kennelijke oordeel is gekomen dat het beroep gegrond was.
5. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 1 mei 2024 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 1 mei 2024 werd gedaan.
6. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
Ten aanzien van het beroep
7. Verweerder heeft inwilligend beslist op de asielaanvraag van eiser. Nu hiermee tegemoet is gekomen aan het beroep tegen het niet-tijdig nemen van het besluit heeft eiser geen procesbelang meer. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
8. Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag beroep heeft kunnen instellen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank stelt vast dat in het digitale dossier zich reeds een aanbiedingsformulier van verweerder bevindt voor betaling van € 437,50 aan proceskosten van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het verzet gegrond;
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.