ECLI:NL:RBDHA:2025:10691

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24941
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De zaak betreft een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie aan een vreemdeling van Roemeense nationaliteit op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd opgeheven voordat de rechtbank uitspraak deed. Het beroep omvat tevens een verzoek om schadevergoeding wegens de periode van bewaring.

De rechtbank beoordeelt of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was. De minister had gegronde redenen voor de bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Deze gronden werden door eiser niet betwist. Ook was er geen lichter middel beschikbaar dat het doel kon bereiken.

De rechtbank constateert dat de minister voldoende voortvarend handelde om de uitzetting te realiseren, met vertrekgesprekken, overleg met het Openbaar Ministerie en het boeken van een vlucht. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24941

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Roemeense nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Bij besluit van 23 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 30 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van het beroep gericht tegen de maatregel van bewaring. Eiser heeft op 10 juni 2025 beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 13 juni 2025 een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 16 juni 2025 gesloten.

Overwegingen

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. [2]
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(
lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. Ook stelt de rechtbank vast dat de minister bij besluit van 18 augustus 2022 heeft overwogen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gesteld.
Gronden
6. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure heeft ontweken en belemmert.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Een lichter middel volstond niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De enkele omstandigheid dat eiser, die in ieder geval sinds januari 2025 opnieuw in Nederland verbleef, voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangegeven zelfstandig te willen terugkeren naar Roemenië, maakt dat niet anders. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister, tot aan de opheffing van de maatregel, voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank overweegt hiertoe dat op 26 mei 2025 en 28 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Ook heeft de minister op 26 mei 2025 het OM gevraagd of er bezwaar bestaat tegen de uitzetting van eiser. Daarnaast is op 26 mei 2025 een vluchtaanvraag naar de Kmar verzonden. Op 27 mei is de vlucht geboekt. Zicht op uitzetting ontbrak ook niet, omdat eiser op 30 mei 2025 naar Oostenrijk is gevlogen.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 106 van Pro de Vw.