ECLI:NL:RBDHA:2025:10726

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
NL25.12531
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Dit beroep volgt op een eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin een beslistermijn werd gesteld.

De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen, waardoor het beroep gegrond is. De minister heeft verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken na ontvangst van aanvullende informatie, welke de rechtbank passend acht.

De rechtbank legt de minister op uiterlijk op 12 augustus 2025 een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 bij overschrijding. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder op 13 juni 2025 te Utrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen zestien weken een besluit te nemen, onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12531
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: B. el Hamdaoui).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 september 2024.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak een besluit op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis (hierna: de aanvraag) bekend moet maken. Indien binnen die termijn gelegenheid tot herstel van verzuimen wordt geboden, moet de minister binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekendmaken. Als binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak aan eisers schriftelijk is meegedeeld dat nader onderzoek moet plaatsvinden, dan moet het besluit binnen zestien weken na de dag van verzending van die uitspraak bekend worden gemaakt. Indien de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen heeft geboden en binnen de beslistermijn van acht weken schriftelijk aan eisers is meegedeeld dat is beslist dat nader onderzoek moet plaatsvinden dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van die uitspraak bekend worden gemaakt. Eisers stellen nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissingen heeft genomen op de aanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 18 september 2024 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.4 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, is het beroep van eiser dus ontvankelijk.

Is het beroep van eiser gegrond?

4. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

5. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.5 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6
6. De minister heeft op 7 april 2025 een verweerschrift ingediend, waarin hij aangeeft dat de aanvraag inmiddels is toegewezen aan een behandelaar. Per brief van 25 maart 2025 is herstel verzuim geboden aan eiser en eiser heeft tot 22 april 2025 de gelegenheid gehad om de gevraagde informatie aan te leveren. Afhankelijk van de verdere reactie op het verzuim bekijkt de minister of nader onderzoek nodig is. Om die reden verzoekt de minister om een nadere beslistermijn van zestien weken na ontvangst van de gevraagde informatie. De rechtbank vindt die termijn passend en bepaalt dat die termijn ingaat vanaf 22 april 2025. Uiterlijk op 12 augustus 2025 dient de minister dus op de aanvraag te beslissen.

Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

7. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld.7 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 37.500,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, zoals de minister heeft verzocht.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 6. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
6 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om uiterlijk op 12 augustus 2025 (zestien weken na 22 april 2025) een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een rechterlijke dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.5000,-;
  • bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 juni 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.