ECLI:NL:RBDHA:2025:10730

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
AWB 25.1906
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar in vreemdelingenzaak

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie op de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De minister heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waarna eiser beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank oordeelt dat de minister rechtsgeldig in gebreke is gesteld en dat het beroep terecht en gegrond is. De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van twee weken op vanaf de dag van verzending van de uitspraak, zonder dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen.

Daarnaast stelt de rechtbank de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,- voor de periode van 42 dagen dat de minister te laat was, en legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de minister na de nadere beslistermijn nog niet beslist, met een maximum van € 7.500,-.

De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad € 453,50 en het betaalde griffierecht van € 194,-. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 juni 2025 door rechter R.J.A. Schaaf.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen met oplegging van dwangsommen en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1906

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

De minister heeft op 13 december 2023 beslist op de aanvraag van eiser om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen dit besluit. De minister heeft niet tijdig beslist op dit bezwaar. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Deze uitspraak gaat over dat beroep.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een bezwaar beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen beslissing op het bezwaar is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep van eiser gegrond?
3. De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen de minister had moeten beslissen op het bezwaar is overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Dit betekent dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
4. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft. [3]
5. De minister heeft niet verzocht om een langere nadere beslistermijn. Uit het dossier blijkt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de rechtbank een langere nadere beslistermijn moet opleggen. De rechtbank legt de minister daarom een nadere beslistermijn op van twee weken. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld. [4] De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
7. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
8. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht. [5] Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom vaststellen.
9. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [6]
10. De minister heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog. [7] De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds de minister in gebreke is.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op het bezwaar bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. [8]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door de minister te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194 ,- vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
4.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
5.Stb. 2025, 96.
6.Artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb en artikel 4:18 van Pro de Awb.
7.Artikel 8:55c van de Awb.
8.Artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.