ECLI:NL:RBDHA:2025:10730
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar in vreemdelingenzaak
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie op de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De minister heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waarna eiser beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat de minister rechtsgeldig in gebreke is gesteld en dat het beroep terecht en gegrond is. De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van twee weken op vanaf de dag van verzending van de uitspraak, zonder dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen.
Daarnaast stelt de rechtbank de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,- voor de periode van 42 dagen dat de minister te laat was, en legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de minister na de nadere beslistermijn nog niet beslist, met een maximum van € 7.500,-.
De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad € 453,50 en het betaalde griffierecht van € 194,-. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 juni 2025 door rechter R.J.A. Schaaf.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen met oplegging van dwangsommen en vergoeding van proceskosten.