ECLI:NL:RBDHA:2025:10797
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting Algerije
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 28 april 2025. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna.
De eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank overwoog dat de lopende laissez-passer aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten nog in behandeling was en dat eiser onvoldoende meewerkte aan de uitzetting. Verweerder had meerdere rappels gestuurd en vertrekgesprekken gevoerd, wat voldoende voortvarend handelen vormde.
De rechtbank oordeelde verder dat het risico op onttrekking aan toezicht bleef bestaan en dat geen omstandigheden waren die het voortduren van de maatregel onevenredig bezwarend maakten. Ook de ambtshalve toetsing aan het arrest van het Hof van Justitie van de EU gaf geen aanleiding tot andersluidend oordeel.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.