Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[eiser 1] ,
1.De procedure
2.De feiten
“dat de twee-eenheid uit elkaar wordt gehaald.”en dat [eiser 2] bij detentie van [eiser 1]
“niet kan steunen en vertrouwen op zijn niet-vervangbare zorg.”.
Rechtbank Den Haag
Eiser 1 is onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden wegens bedrieglijke bankbreuk. Eiser 2, zijn ex-echtgenote, is terminaal ziek en afhankelijk van de intensieve mantelzorg van eiser 1. Eisers verzochten de Staat om opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf zodat eiser 1 de zorg kan voortzetten tot het overlijden van eiser 2.
De Staat heeft reeds meerdere malen uitstel verleend om vervangende zorg te regelen. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat deze zorg niet door derden kan worden verleend. De verklaringen van de huisarts zijn niet concreet en missen onderbouwing dat de zorg onvervangbaar is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de executieplicht van de Staat zwaarwegend is en dat het verzoek tot opschorting niet gerechtvaardigd is. Er is geen sprake van schending van fundamentele rechten zoals artikel 3 en Pro 8 EVRM of het VN-Gehandicaptenverdrag. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot opschorting van de gevangenisstraf wordt afgewezen; straf mag ten uitvoer worden gelegd.