ECLI:NL:RBDHA:2025:10846
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Oostenrijk op grond van Dublinverordening
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 9 februari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat hij in Oostenrijk geen asielaanvraag had ingediend en dat hij in Nederland wilde verblijven vanwege zijn partner en haar zoon, waarop hij een beroep deed op diverse artikelen van de Dublinverordening, het EVRM en het arrest Chavez-Vilchez.
De rechtbank oordeelde dat uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiser op 29 september 2023 in Oostenrijk om internationale bescherming heeft verzocht, hetgeen als bewijs geldt. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende tegenbewijs leverde om dit te betwisten. Daarnaast kon de gezinsband met de partner en stiefzoon niet leiden tot het niet overdragen van eiser aan Oostenrijk, omdat de voorwaarden van de relevante artikelen niet waren vervuld en verweerder dit voldoende had gemotiveerd.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het arrest Chavez-Vilchez bood geen grond om de overdracht te voorkomen. Eiser had bovendien een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument als verzorgende ouder, maar dit had geen directe consequenties voor de procedure. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de overdracht aan Oostenrijk wordt ongegrond verklaard.