ECLI:NL:RBDHA:2025:10892
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure wegens onnodigheid
Verzoeker heeft tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beroep ingesteld nadat zijn asielaanvraag op 20 mei 2025 als kennelijk ongegrond was afgewezen. Daarnaast heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om het bestreden besluit tijdelijk te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.22902), is het verzoek om een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 20 juni 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.