Eiser kreeg een bijstandsuitkering naar de jongerennorm en ontving bijzondere bijstand voor bewindvoering en mentorschap. Na toekenning van een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 14 september 2021, besloot verweerder de bijstand en bijzondere bijstand te beëindigen en de bijzondere bijstand over die periode terug te vorderen.
Eiser voerde aan dat de beëindiging onterecht was en dat de draagkrachtberekening onjuist was, mede vanwege een vermeende leeftijdsdiscriminatie en onvoldoende motivering. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen beëindiging van de bijstand niet-ontvankelijk was wegens onvoldoende procesbelang, omdat het belang toekomstig en principieel was. De draagkrachtberekening voor de bijzondere bijstand was juist en de beëindiging daarvan terecht.
De terugvordering van de bijzondere bijstand was gegrond omdat eiser achteraf beschikte over de Wajong-uitkering die hoger was dan de bijstandsnorm. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de terugvordering tot onacceptabele financiële problemen zou leiden.
Wel werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. Het beroep werd verder ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.