ECLI:NL:RBDHA:2025:10962
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis en toetsing artikel 8 EVRM
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis als familie- of gezinslid. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan de formele voorwaarden voor nareis. Het bezwaar van eiseres werd eveneens ongegrond verklaard.
De kern van het geschil betreft de vraag of de minister ambtshalve had moeten toetsen of eiseres op grond van artikel 8 EVRM Pro in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Eiseres stelde dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij deze toets niet heeft uitgevoerd, verwijzend naar werkinstructie 2024/19 en het gelijkheidsbeginsel.
De minister voerde aan dat hij in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot toetsing op grond van artikel 8 EVRM Pro, om misbruik van de nareisprocedure te voorkomen en vanwege organisatorische beperkingen. De rechtbank oordeelt dat de minister dit standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd en dat eiseres niet voldeed aan de formele voorwaarden voor nareis. De enkele stelling dat toetsing efficiënter zou zijn, is onvoldoende.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier S. Berendsen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.