ECLI:NL:RBDHA:2025:11082
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing paspoortaanvraag minderjarige wegens ontbreken vervangende toestemming
Verzoekster heeft voor haar minderjarige zoon een Nederlands paspoort aangevraagd, maar de minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat niet is aangetoond dat verzoekster eenhoofdig gezag heeft of dat er vervangende toestemming van de vader of rechter is verkregen.
Verzoekster betoogt dat de Marokkaanse rechter vervangende toestemming heeft gegeven en dat de weigering in strijd is met het recht op privé- en familieleven (artikel 8 EVRM Pro) en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat uit de Marokkaanse uitspraak niet duidelijk blijkt dat de toestemming geldt voor een Nederlands paspoort en dat de regelgeving voor Nederlandse paspoortaanvragen ongewijzigd is.
De rechtbank stelt dat de bewijslast voor vervangende toestemming bij verzoekster ligt en dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vader handelingsonbekwaam is. Ook is geen sprake van een onrechtmatige beperking van het Nederlanderschap. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de paspoortaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.