Eiser heeft een aanvraag om naturalisatie ingediend die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen op 25 juni 2024 vanwege ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Tevens is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegen eiser toegepast, waardoor naturalisatie niet mogelijk is. Eiser beschikte over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden', geldig tot 27 maart 2025.
Het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing is op 10 december 2024 door de minister ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 behandeld en geoordeeld dat het beroep ongegrond is. De rechtbank overweegt dat het al dan niet verlenen van het Nederlanderschap niet onder de reikwijdte van het Europees recht valt en dat het beroep op het actualiteitsvereiste uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 februari 2023 niet slaagt.
Verder oordeelt de rechtbank dat de toetsing van de toepassing van artikel 1F niet aan de orde is in een procedure tegen afwijzing van naturalisatie. Ook het betoog van eiser dat de verleende verblijfsvergunning geen tijdelijk karakter zou hebben, wordt verworpen. De rechtbank concludeert dat de minister het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard en wijst het beroep af zonder proceskostenveroordeling.