ECLI:NL:RBDHA:2025:11125

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2025
Publicatiedatum
25 juni 2025
Zaaknummer
23/6867
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 14 EVRMArt. 1 Protocol 12 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eenmalige energietoeslag 2022 voor Leidse student gehandhaafd

Eiser heeft op 2 januari 2023 een aanvraag ingediend voor de eenmalige energietoeslag 2022, welke door het college van burgemeester en wethouders van Leiden op 7 februari 2023 werd afgewezen omdat eiser een opleiding volgt waarvoor studiefinanciering kan worden ontvangen. Na bezwaar handhaafde het college dit besluit op 8 september 2023 (bestreden besluit 1).

Tijdens het beroep beoordeelde het college de aanvraag opnieuw en handhaafde op 12 maart 2025 (bestreden besluit 2) de afwijzing, nu eiser ondanks herhaalde verzoeken geen aanvullende informatie over een eigen energiecontract in 2022 had aangeleverd. Eiser maakte geen gebruik van de gelegenheid om tegen dit besluit gronden aan te voeren.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk is, maar dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 februari 2024, waarin werd bevestigd dat studenten die studiefinanciering ontvangen en geen eigen energiecontract hebben, uitgesloten kunnen worden van de energietoeslag. Omdat eiser geen bewijs leverde van een eigen energiecontract, is de afwijzing terecht gehandhaafd.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 8 september 2023 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 12 maart 2025 ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag blijft staan. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het wijzigingsbesluit tot afwijzing van de energietoeslag is ongegrond verklaard en de afwijzing blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6867

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Kotteman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college

(gemachtigde: P.A.P. van de Ven).

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college de afwijzing van eisers aanvraag om een eenmalige energietoeslag 2022 van 2 januari 2023 terecht heeft gehandhaafd.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het college met het wijzigingsbesluit van 12 maart 2025 het besluit tot afwijzing van eisers aanvraag om een eenmalige energietoeslag terecht heeft gehandhaafd. Het beroep tegen dat besluit is ongegrond.

Procesverloop

1. Op 2 januari 2023 heeft eiser de eenmalige energietoeslag 2022 aangevraagd.
1.1.
In het besluit van 7 februari 2023 heeft het college deze aanvraag afgewezen, op de grond dat hij een opleiding volgt waarvoor hij studiefinanciering kan krijgen.
1.2.
In de beslissing op bezwaar van 8 september 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college dit besluit gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Het college heeft de gedingstukken ingediend.
1.4.
Hangende het beroep heeft het college de aanvraag opnieuw beoordeeld. In het besluit van 12 maart 2025 (bestreden besluit 2) heeft het college de afwijzing van eisers aanvraag om een eenmalige energietoeslag 2022 gehandhaafd, op de grond dat eiser, ondanks dat het college daar herhaaldelijk om heeft gevraagd, de voor de beoordeling van zijn aanvraag nodige informatie niet heeft aangeleverd. Het college heeft hierdoor het recht op eenmalige energietoeslag 2022 niet kunnen vaststellen.
1.5.
De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld gronden tegen bestreden besluit 2 aan te voeren. Eiser heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.6.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen desgevraagd niet hebben aangegeven dat zij gebruik hebben willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
1.7.
Daarom heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten en de uitspraakdatum bepaald op heden.

Beoordeling door de rechtbank

2. In het bestreden besluit 2 heeft het college de grondslag van de afwijzende beslissing herzien. Het college heeft in dat besluit de afwijzing van eisers aanvraag van de eenmalige energietoeslag 2022 gehandhaafd, op de grond dat hij, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, het college geen nadere informatie heeft verschaft aan de hand waarvan het college het recht op energietoeslag heeft kunnen vaststellen.
3. De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit 2 een wijzigingsbesluit is als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Op grond van die bepaling heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dat besluit. Eiser heeft bij de inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1 geen belang meer. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt hierna het van rechtswege mede op bestreden besluit 2 betrekking hebbende beroep.
4. Het college heeft de afwijzing van eisers aanvraag om een eenmalige energietoeslag 2022 aanvankelijk gehandhaafd – kort gezegd – op de grond dat studenten die aanspraak maken op studiefinanciering van het recht op de eenmalige energietoeslag zijn uitgesloten. Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 februari 2024 [1] heeft het college eisers bezwaar opnieuw beoordeeld en daartoe onderzocht of eiser in 2022 beschikte over een eigen energiecontract. Het college heeft via e-mail op 10 januari 2025 aanvullende informatie hierover bij eiser opgevraagd. Op verzoek van eiser heeft het college de termijn waarbinnen de gegevens aangeleverd konden worden verlengd tot 14 februari 2025. Eiser heeft volgens het college toen laten weten dat die termijn voor hem haalbaar was. Daarna heeft het college van hem geen reactie meer ontvangen. Het college heeft toen op 21 februari 2025 en op 28 februari 2025 telefonisch contact opgenomen met eisers gemachtigde. Op het verzoek van het college om te reageren per e-mail of telefoon is geen reactie van gemachtigde gekomen.
5. De rechtbank beoordeelt het beroep als volgt.
5.1.
De CRvB, de hoogste rechter in sociale zekerheidszaken, heeft in de onder 4. genoemde uitspraak van 29 februari 2024 [2] geoordeeld over de afwijzing van de aanvraag om energietoeslag van een student in de gemeente Amsterdam. In die gemeente gold voor studenten het hebben van een energiecontract op naam als extra voorwaarde om voor de energietoeslag in aanmerking te komen. De CRvB was van oordeel dat studenten en andere minima zich voor wat betreft de aanspraak op energietoeslag in een vergelijkbare situatie bevinden, en dat er sprake is van ongelijke behandeling door aan studenten (onder meer) de voorwaarde van een energiecontract op naam te stellen. Volgens de CRvB was deze ongelijke behandeling van studenten in vergelijking met andere minima echter gerechtvaardigd. Hiertoe is overwogen dat de regeling voor de eenmalige energietoeslag uitdrukkelijk alleen is bedoeld om inwoners te compenseren die daadwerkelijk worden getroffen door de verhoging van de energiekosten. Bij studenten is lastig vast te stellen in hoeverre zij daadwerkelijk met de gestegen energiekosten worden geconfronteerd, omdat de woon- en leefsituatie van studenten nogal varieert. Sommigen huren een kamer met een huurprijs inclusief energiekosten, anderen wonen nog bij hun ouders. Daarom vond de CRvB het gerechtvaardigd dat in de gemeente Amsterdam als extra eis gold dat de student een eigen energiecontract heeft. Het beroep op schending van artikel 14 van Pro het EVRM en van artikel 1 van Pro Protocol 12 van het EVRM werd daarom verworpen.
5.2.
Het college heeft onderzocht of eiser alsnog voor de eenmalige energietoeslag 2022 in aanmerking kon komen. Daarvoor gold dan als voorwaarde dat hij in 2022 over een zelfstandig energiecontract beschikte. Het lag daarom op zijn weg om in het kader van het nadere onderzoek dat het college heeft uitgevoerd, stukken over te leggen waaruit dat bleek. Eiser heeft, ondanks het verzoek daartoe en de verlenging van de termijn waarbinnen dat moest gebeuren, niets overgelegd waaruit naar voren komt dat hij in 2022 over een eigen energiecontract beschikte en daarmee in beginsel aanspraak kon maken op de eenmalige energietoeslag 2022.
5.3.
Nu eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij ten tijde van belang een zelfstandig energiecontract had en hij ook geen gronden tegen bestreden besluit 2 heeft aangevoerd, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat het college de afwijzing van eisers aanvraag om de eenmalige energietoeslag 2022 terecht heeft gehandhaafd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is voor zover gericht tegen het besluit van 8 september 2023 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk. Het van rechtswege mede op het besluit van 12 maart 2025 (bestreden besluit 2) betrekking hebbende beroep is ongegrond. Bestreden besluit 2 blijft daarom in stand. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van 2 januari 2023 om een eenmalige energietoeslag 2022 gehandhaafd blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 8 september 2023 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk;
- verklaart het van rechtswege mede op het besluit van 12 maart 2025 (bestreden besluit 2) betrekking hebbende beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.