ECLI:NL:RBDHA:2025:11229

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
NL24.32483
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit familie- en gezinsmigratie

Verzoekster heeft op 10 april 2024 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'Familie- en gezin'. De minister heeft deze aanvraag op 1 augustus 2024 afgewezen en een terugkeerbesluit opgelegd. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om haar uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.

De minister heeft bij brief van 22 april 2025 aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft omdat het terugkeerbesluit de vertrekplicht bevestigt en het bezwaar deze niet opschort.

Gelet op de instemming van de minister en het spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe, schorst het primaire besluit en verbiedt de minister om verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt. Tevens veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot betaling van proceskosten van € 907,- aan verzoekster.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het uitzettingsbesluit totdat op bezwaar is beslist.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32483
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Vos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1.
Verzoekster heeft op 10 april 2024 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Familie- en gezin’. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 1 augustus 2024 afgewezen en een terugkeerbesluit opgelegd aan verzoekster. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tot op het bezwaar is beslist.
1.2.
De minister heeft de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
1.3.
Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming verleend om het beroep zonder zitting af te doen, als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, is daarbij bevoegd om op verzoek op dit punt een oordeel te geven
3. De minister heeft verzoekster bij besluit van 1 augustus 2024 meegedeeld dat zij niet langer in Nederland mag zijn, dat zij kan worden uitgezet en dat het indienen van een bezwaarschrift deze vertrekplicht niet opschort. Verzoekster heeft dus een spoedeisend belang.
4. Verzoekster heeft verzocht om als voorlopige voorziening te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaarschrift is beslist.
5. Bij brief van 22 april 2025 heeft de minister aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing ten aanzien van hetgeen is verzocht in het verzoekschrift. Nu partijen het erover eens zijn dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 1 augustus 2024 is geschorst totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt .
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het primaire besluit en verbiedt de minister om verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 mei 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.