Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar nareisaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 22 augustus 2024 een beslistermijn van acht weken aan de minister had opgelegd.
De minister heeft deze termijn niet nageleefd en geen besluit genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke rechterlijke termijn in de eerdere uitspraak.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. De rechtbank legt de minister een nieuwe termijn van twee weken op om alsnog te beslissen en verbindt daaraan een dwangsom van €250 per dag, met een maximum van €37.500.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, inclusief het griffierecht, aangezien het beroep gegrond is verklaard.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier R.C. Gürel op 24 juni 2025.