Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank oordeelt dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Hierdoor is het beroep terecht en gegrond.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding van het beroep af, omdat dit de prikkel voor de minister om tijdig te beslissen wegneemt. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van acht weken op, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek, mits schriftelijk meegedeeld aan eiser. Tevens wordt een bestuurlijke dwangsom vastgesteld van €1.442,- voor de reeds verstreken 42 dagen overschrijding.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de opgelegde beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000,-. De minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting, na instemming van partijen, en is openbaar bekendgemaakt op 24 juni 2025.