ECLI:NL:RBDHA:2025:11298

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
24/6445
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskosten na intrekking beroep wegens toekenning scootmobiel

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft om haar aanvraag voor een scootmobiel af te wijzen. Na intrekking van het beroep, omdat verweerder op bezwaar het besluit herziene en de scootmobiel toekende, verzocht verzoekster om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank overweegt dat bij intrekking van een beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, proceskosten kunnen worden toegewezen. Verweerder erkende het voornemen tot vergoeding van proceskosten voor één punt, overeenkomend met het indienen van het beroepschrift.

De rechtbank wijst het verzoek toe en veroordeelt verweerder tot betaling van €907,- aan verzoekster. Tevens wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van €50,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot verweerder moet wenden.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van €907,- aan verzoekster voor proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6445

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel)
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het 25 juni 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 17 maart 2025 een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen waarbij het bezwaar van verzoekster gegrond is verklaard en verweerder aan haar een scootmobiel heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 8 april 2025 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld voornemens te zijn proceskosten toe te kennen voor 1 punt.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en overweegt daartoe als volgt.
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
4. Bij het primaire besluit van 9 juni 2023 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een maatwerkvoorziening in de vorm van een scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 afgewezen. Bij de beslissing op bezwaar van 25 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster is op 26 juli 2024 in beroep gegaan tegen dit besluit. Verweerder heeft bij besluit van 17 maart 2025 de beslissing op bezwaar van 25 juni 2024 ingetrokken en een nieuw besluit genomen waarbij het bezwaar van verzoekster gegrond is verklaard. Aan verzoekster is een scootmobiel toegekend. Hiermee is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
5. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 907,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor van 1).
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, Algemene wet bestuursrecht verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden, nu verweerder tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoekster. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe en veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).