Eisers, allen Keniaanse nationaliteit, werden op 8 april 2024 in bewaring gesteld wegens een concreet aanknopingspunt voor overdracht onder de Dublinverordeningen en een significant risico op onderduiken. De maatregelen zijn genomen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet.
Eisers betwistten de zware en lichte gronden voor bewaring, waaronder het niet beschikken over geldige reisdocumenten en het onttrekken aan toezicht. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist zijn, omdat eisers Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen en zich tussen 8 en 14 april 2024 aan toezicht onttrokken hebben.
De belangenafweging door verweerder was voldoende gemotiveerd, waarbij rekening is gehouden met het belang van de kinderen die de moeder volgen en de korte duur van de bewaring. De rechtbank concludeert dat geen lichter middel doeltreffend was en dat de maatregelen niet onrechtmatig waren.
Daarom verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.