ECLI:NL:RBDHA:2025:11300

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
NL25.26848
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 11 maart 2025 door de minister van Asiel en Migratie aan hem is opgelegd. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij de gedwongen uitzetting, mede omdat de geplande uitzetting pas op 7 juli 2025 staat gepland ondanks bevestiging van zijn nationaliteit door de Algerijnse diplomatieke vertegenwoordiging.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en toetst of het voortduren sinds 16 april 2025 rechtmatig is. Uit het voortgangsrapport blijkt dat eiser op 3 juni 2025 persoonlijk is gepresenteerd bij de Algerijnse diplomatieke vertegenwoordiging, die mondeling zijn nationaliteit bevestigde en bereidheid toonde een laissez-passer af te geven. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend handelt, mede omdat de daadwerkelijke laissez-passer pas kort voor de geboekte vlucht wordt afgegeven en een informatieverplichting van vijftien werkdagen geldt.

Daarnaast is eiser geïnformeerd over de mogelijkheid om eerder met de Internationale Organisatie voor Migratie te vertrekken, wat niet aan dezelfde informatieverplichting is gebonden. De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26848

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft op 11 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 24 juni 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 16 april 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is gepresenteerd bij de Algerijnse diplomatieke vertegenwoordiging en die heeft zijn nationaliteit mondeling bevestigd. Tevens hebben zij aangegeven bereid te zijn een LP [3] af te geven. Gelet hierop is onduidelijk waarom eisers gedwongen uitzetting pas op 7 juli 2025 staat gepland. Ook uit de door verweerder verstrekte stukken blijkt niet waarom de escortering van eiser niet eerder mogelijk is, aldus eiser.
5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat eiser op 3 juni 2025 in persoon is gepresenteerd bij de Algerijnse diplomatieke vertegenwoordiging. Daar is mondeling zijn nationaliteit bevestigd en is aangegeven dat men bereid is om een LP af te geven. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 6 juni 2025 volgt dat aan eiser is medegedeeld dat voor Algerije geldt dat een daadwerkelijke LP pas wordt afgegeven op de laatste vrijdag voor een geboekte vlucht, waarvoor een informatieverplichting van ten minste vijftien werkdagen geldt voor verweerder. De stelling dat onduidelijk is waarom pas voor 7 juli 2025 een vlucht is geboekt, wordt dan ook niet gevolgd. Daarnaast volgt uit hetzelfde verslag dat aan eiser is medegedeeld dat de mogelijkheid bestaat om eerder met het IOM [4] te vertrekken, omdat het IOM niet gebonden is aan een dergelijke informatieverplichting. Het is dan aan eiser om hier gevolg aan te geven.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6710.
3.Laissez-passer.
4.Internationale Organisatie voor Migratie.