Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van 9 mei 2025, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van griffierecht. Opposant stelde dat het griffierecht wel was betaald en overlegde een betaalbewijs van 19 februari 2025.
De rechtbank voerde daarop een intern onderzoek uit en constateerde dat het griffierecht inderdaad was voldaan, maar zonder vermelding van een zaaknummer of betalingskenmerk, waardoor de betaling aanvankelijk niet aan de procedure kon worden gekoppeld. Na koppeling van de betaling aan de beroepsprocedure concludeerde de rechtbank dat het griffierecht tijdig was betaald.
Hierdoor verklaarde de rechtbank het verzet gegrond en bepaalde dat het beroep alsnog inhoudelijk moet worden behandeld. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan opposant, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Duifhuizen en griffier S. Voolstra, en is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2025. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.