ECLI:NL:RBDHA:2025:11383

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
NL25.25171
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Dublin-verordeningVreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring op grond van Dublin-verordening en weigering lichter middel

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 4 juni 2025 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublin-verordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte de gronden niet, maar stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat hij via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) naar Turkije wilde vertrekken. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste, mede omdat een eerder IOM-traject door eiser zelf was beëindigd.

De rechtbank voerde ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het moment van sluiting van het onderzoek. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25171

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn ter zitting. Eisers gemachtigde is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3f en alle lichte gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring kunnen dragen. Uit het samenstel van die gronden volgt namelijk dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Daartoe stelt hij dat hij zelf al stappen heeft ondernomen om met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) te vertrekken naar Turkije, waardoor zijn overdracht naar Duitsland niet langer nodig zou zijn. Verweerder heeft ook aangegeven akkoord te zijn met een vertrek van eiser naar Turkije in plaats van een gedwongen overdracht naar Duitsland.
3.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser eerder dit jaar ook een traject bij de IOM heeft opgestart en dat dit traject niet tot vertrek naar Turkije heeft geleid omdat eiser het traject toen zelf heeft beëindigd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de huidige inspanningen van eiser om via de IOM naar Turkije te vertrekken, geen aanleiding hoeven zien te volstaan met oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.