ECLI:NL:RBDHA:2025:1141

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
NL25.1464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Hoofdstuk 4 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 wegens niet meewerken aan identiteit en nationaliteit

De minister van Asiel en Migratie heeft op 3 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde van Algerijnse nationaliteit te zijn en heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding geldt.

De rechtbank heeft op 24 januari 2025 het beroep behandeld. De minister baseerde de bewaring op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet op juiste wijze binnenkomen van Nederland, het niet meewerken aan vaststelling van identiteit en nationaliteit, en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelt dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende samen de bewaring rechtvaardigen.

Eiser heeft weliswaar aangegeven zich nu meewerkend te willen opstellen, maar heeft eerder geen concrete actie ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen. Ook het feit dat zijn nationaliteit door de Algerijnse autoriteiten is bevestigd en een vlucht is geboekt, ontslaat hem niet van de medewerkingsplicht.

De rechtbank acht een lichter middel dan bewaring niet toereikend om de uitzetting te waarborgen, mede gelet op de verklaringen van eiser dat hij naar Italië wil gaan. De minister heeft bovendien voortvarend gehandeld door snel een vertrekgesprek te voeren en een vlucht te boeken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1464

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. De minister heeft op 3 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 10 januari 2025 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren [geboortedatum].
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu aan eiser op
18 februari 2024 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Aan eiser is bovendien op 25 juni 2024 een aanvullend terugkeerbesluit uitgereikt. Die beslissingen staan in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3c, 3d, 3i, en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3c, 3d en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. [1] De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de gronden 3a en 3c niet heeft betwist. De rechtbank overweegt verder dat grond 3d feitelijk juist is. Dat eiser zich nu meewerkend wil opstellen, maakt dit oordeel niet anders, aangezien hij eerder geen concrete actie heeft ondernomen ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Dat eiser zijn nationaliteit door de Algerijnse autoriteiten is bevestigd en dat een vlucht is geboekt, ontslaat hem niet van deze verplichting tot medewerking. Ook grond 3i is feitelijk juist, aangezien eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij naar Italië wil gaan en dat hij in Algerije niets te zoeken heeft. Verder beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan (4d) en heeft eiser deze laatste grond ook niet betwist. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden 4a, 4b en 4c onbesproken, omdat de hiervoor genoemde zware en lichte gronden de maatregel kunnen dragen.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, de plicht tot terugkeer die volgt uit de beschikking van 18 februari 2024, en de verklaringen van eiser dat hij naar Italië wil gaan, is de minister er terecht van uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De stelling van eiser dat kan worden volstaan met een lichter middel omdat hij in Ter Apel, op een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) of bij Stichting Inlia kan verblijven slaagt daarom niet. De rechtbank stelt daarnaast vast de minister de medische omstandigheden van eiser uitdrukkelijk bij haar beoordeling heeft betrokken en voldoende kenbaar heeft gemaakt waarom in het geval van eiser desondanks niet met een lichter middel dan inbewaringstelling kan worden volstaan. [2] De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. [3]
Voortvarendheid
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Dit wordt ook erkend door eiser. De minister heeft op de vierde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 6 januari 2025, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister op 8 januari 2025 een vlucht voor eiser geboekt. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
9. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De nationaliteit van eiser is al eerder door de Algerijnse autoriteiten in augustus 2024 bevestigd, en op basis van de nationaliteitsbevestiging is een lp afgegeven voor eiser.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1908.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674.