ECLI:NL:RBDHA:2025:11423
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardebepaling en termijn
Eiser heeft op 23 november 2021 aangifte gedaan voor de BPM van een Audi Q5. De auto werd getaxeerd door een taxateur en later hertaxeerd door DRZ, waarbij verschillende waardes en waardeverminderingen wegens schade werden vastgesteld. Verweerder legde op 20 januari 2023 een naheffingsaanslag BPM op, gebaseerd op een hogere handelsinkoopwaarde dan door eiser opgegeven.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag tijdig is opgelegd en dat verweerder bevoegd was deze te heffen. De waardebepaling van verweerder wordt gevolgd, omdat de taxateur onvoldoende onderbouwing gaf voor de door hem gestelde waardevermindering en de door DRZ gehanteerde koerslijstwaardes en schadebeoordeling beter aansluiten bij de feitelijke staat van de auto.
Verder wijst de rechtbank het beroep af omdat eiser geen aannemelijk bewijs leverde voor een hogere waardevermindering dan de door verweerder gehanteerde €175. De in rekening gebrachte belastingrente is eveneens rechtmatig.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure en kent eiser een immateriële schadevergoeding van €500 toe. Tevens worden proceskosten van €227 aan verweerder opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.