Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de mondelinge behandeling van 17 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van [eiseres] .
Rechtbank Den Haag
In deze kortgedingprocedure vordert eiseres ontruiming van een woning die zij verhuurde aan de vader van gedaagde, die inmiddels is overleden. Gedaagde wil de huur voortzetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, maar kan niet aannemelijk maken dat hij zijn hoofdverblijf in de woning had en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn vader.
De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 6 BW Pro van rechtswege is geëindigd en dat gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft. De inschrijving van gedaagde op een ander adres en het ontbreken van bewijs van hoofdverblijf en huishouding zijn doorslaggevend.
Gezien de aannemelijkheid dat gedaagde niet aan de wettelijke vereisten voldoet, wordt de ontruiming toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van proceskosten; voortzetting van de huur wordt afgewezen wegens ontbreken van hoofdverblijf en duurzame huishouding.