Uitspraak
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 23 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
[de vader] ,
Procedure
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en tolk E. Kosanovic;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Rechtbank Den Haag
De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW om met de minderjarige meerdere keren per jaar te reizen naar Bosnië en binnen de Europese Unie. De vader verzette zich tegen deze verzoeken, met name tegen de langdurige en globale aard ervan, en stelde dat hij ook met de minderjarige op vakantie wilde gaan.
De rechtbank nam kennis van de feiten dat de ouders gezamenlijk gezag uitoefenen over de minderjarige, die bij de moeder verblijft, en dat er momenteel geen contact is tussen vader en kind. Tijdens de zitting gaf de moeder aan specifieke vakanties te willen ondernemen in de zomer- en herfstvakantie van 2025, waaronder reizen naar Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Zweden en Denemarken.
De rechtbank besloot alleen op de verzoeken voor de zomer- en herfstvakantie te beslissen, omdat de overige vakanties in een andere procedure worden behandeld. De rechtbank verleende de moeder vervangende toestemming voor de genoemde vakanties, ondanks het verzet van de vader die alleen instemde met de herfstvakantie en voor de zomervakantie een gedeelde regeling wilde. De rechtbank wees dit verweer af vanwege het ontbreken van contact tussen vader en kind en de onwaarschijnlijkheid dat dit in de zomer zal verbeteren.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven en betreft een belangafweging in het belang van het kind.
Uitkomst: De moeder krijgt vervangende toestemming om met de minderjarige op vakantie te gaan in de zomer- en herfstvakantie van 2025.