3.3.Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het onder 1 tenlastegelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan. De verdachte heeft dit bewezen te verklaren feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank heeft hierna ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van dat feit redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2024333045, van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 86) en het aanvullend procesdossier met het nummer PL1500-2024333045, van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd p. 62-96).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 juni 2025;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 oktober 2024 (p. 31-32 procesdossier).
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 21-22 procesdossier):
Op 10-10-2024 omstreeks 22.00 uur werd een melding gedaan vanuit Ipse de Brugge dat [slachtoffer] (
de rechtbank begrijpt telkens: [slachtoffer] of [slachtoffer] )weer vermist was geweest en dat ze weer terug was. Ten tijde van het telefoongesprek rent [slachtoffer] samen met een andere bewoonster weg. Vanaf dat moment is [slachtoffer] vermist.
4. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 21 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 64-67 aanvullend procesdossier):
A: Ik ben jeugdbeschermer, vanuit de William Schrikker stichting.
V: Namens wie doet u aangifte?
A: [slachtoffer] . Haar roepnaam is [slachtoffer] .
V: Hoe oud is zij?
A: 13 jaar.
A: Ik ben verantwoordelijk voor de beslissingen die over [slachtoffer] genomen moet worden. Het gezag ligt ook bij WSS (
de rechtbank begrijpt telkens: William Schrikker stichting). De voogdij is sinds 2014 bij de WSS. Zij verblijft momenteel bij een tijdelijke plek. Voorheen bij Ipse de Brugge in Den Haag.
A: Ook dat stukje weglopen. Zij op 24 september 2024 weer teruggeplaatst bij Ipse de Brugge met regels en voorwaarden. Diezelfde dag was zij weggelopen en voor 8 dagen weg gebleven.
V: Hoe ging het die dagen daarna?
A: Die avond was [slachtoffer] weer weggelopen, er was weer een aangifte van vermissing
gedaan en twee á drie dagen later werd zij aangetroffen bij die man.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 oktober, voor zover inhoudende (p. 10 procesdossier):
Vanuit het opsporingsonderzoek naar de vermiste [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 2011, hadden wij zeer sterkte aanwijzingen dat [slachtoffer] zich mogelijk zou bevinden bij [de verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1992, wonende op de [adres] [plaats 2] .
Via het balkon maakte ik, verbalisant, zicht in de woning. Ik zag dat [slachtoffer] uit de badkamer kwam. Ik herkende haar direct aan de hand van de foto welke bij de vermissing was opgegeven. De voordeur van de woning werd geopende door [de verdachte] . In de woonkamer werd [slachtoffer] aangetroffen.
6. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 juni 2025, voor zover inhoudende:
Er kwam een moment voorbij dat zij aan mij vroeg of ik sigaretten kon halen. Ik had gezegd: dat kan je toch gewoon zelf halen? Toen zei ze: ‘Ik ben nog geen 18’.
U, voorzitter, houdt mij voor dat [slachtoffer] bij Ipse de Brugge zat en dat ze daar was weggelopen. U vraagt mij wat er daarna is gebeurd en of ze direct naar mijn huis is gegaan. Ik heb op meerdere momenten contact gehad via de telefoon en op een gegeven moment hadden we afgesproken. En toen zo verder zeg maar.
[slachtoffer] zat op een open groep. Ze wilde daar niet zijn. Ze drong erop aan om bij mij te overnachten. De eerste dag dat zij bij mij was, zei ze: ‘Ik ga morgen terug.’ Dat zei ze telefonisch tegen die begeleider. Dan was het die volgende dag en dan was er weer iets waar zij zich niet goed bij voelde, dat liet zij dan ook weten. Ik denk dat zij drie dagen bij mij is geweest. U vraagt mij of ik weet wat de begeleider nog meer tegen haar zei. Die probeerde op haar in te praten van: rust uit, zorg dat je veilig bent, op het moment dat er dingen zijn, laat het gelijk weten, kom zo snel mogelijk terug, wanneer jij je daar goed bij voelt. Dat werd niet gezegd met de gedachte dat het nog een week langer zou duren.
[slachtoffer] was al een keer eerder vermist. Ik had al eerder vermissingsberichten van haar gezien op internet. Toen wisten ze op de groep niet waar ze was. Haar beste vriendin wist ook niet waar zij was. Haar pleegouders wisten niet waar ze was. Niemand wist meer waar zij was in die periode. En dat duurde maar. Ik denk dat het een week of twee heeft geduurd. Toen was ook het moment dat ik de politie twee keer heb getipt.