ECLI:NL:RBDHA:2025:11620
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning gematigde schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgeheven voordat de zitting plaatsvond, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting van de bewaring.
Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het begin, omdat zijn identiteitsgegevens al waren vastgesteld en er een lichter middel had moeten worden toegepast. Verweerder betoogde dat de bewaring terecht was opgelegd en pas onrechtmatig werd vanaf de datum waarop de aanvraag toetsing EU-recht werd ingediend, maar niet op de voorgeschreven wijze.
De rechtbank oordeelde dat de grondslag voor de bewaring juist was en dat er geen lichter middel volstond. Wel was de voortzetting van de bewaring vanaf 13 juni 2025 onrechtmatig, omdat eiser vanaf die datum procedureel rechtmatig verblijf had. Omdat eiser de aanvraag niet op de voorgeschreven wijze indiende en onvoldoende schadebeperkend handelde, werd de schadevergoeding gematigd tot 50%.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €400,- voor de periode van 13 tot en met 20 juni 2025 en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.814,-.
Uitkomst: De rechtbank kent een gematigde schadevergoeding toe wegens onrechtmatige voortzetting van de bewaring van 13 tot en met 20 juni 2025.