ECLI:NL:RBDHA:2025:11665

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28004
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

Eiseres, een Chinese nationaliteit houdende vrouw, werd op 24 juni 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gericht op het vaststellen van haar identiteit en het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van haar asielaanvraag. De maatregel werd onderbouwd met zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet opvolgen van een vertrekplicht en het uiten van de intentie niet terug te keren.

Eiseres betwistte de gronden niet, maar voerde aan dat een lichtere maatregel zoals verblijf in een asielzoekerscentrum met meldplicht voldoende zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht waren en dat het risico op onttrekking aan toezicht niet adequaat kon worden beheerst met lichtere middelen. Verweerder had gemotiveerd dat eerdere meldplicht en vertrekgesprekken niet tot vertrek hadden geleid.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier W. van Loon op 2 juli 2025 in Middelburg.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28004

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw [1] opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiseres heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiseres heeft op 25 juni 2025 de gronden van het beroep ingediend. Op 26 juni 2025 heeft verweerder een reactie op de gronden van het beroep ingediend. Op 1 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Chinese nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiseres en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiseres (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat zij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen niet uitdrukkelijk betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking aan het toezicht daarmee is gegeven.
4. Eiseres voert aan dat de gronden van de maatregel, voor zover deze juist zijn, niet redengevend zijn voor het risico op onttrekking aan het toezicht. Er kan volstaan worden met een verblijf in een asielzoekerscentrum, al dan niet met een meldplicht.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 3 is overwogen, kunnen de gronden de maatregel dragen en volgt uit deze gronden het risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat dit risico onvoldoende kan worden ondervangen door een lichter middel dan bewaring. Verweerder heeft overwogen dat de meldplicht en het voeren van vertrekgesprekken niet ertoe heeft geleid dat eiseres zelfstandig Nederland heeft verlaten en dat is gebleken dat zij ook niet voornemens is om uit eigen beweging te vertrekken. Niet is gebleken dat de maatregel onevenredig bezwarend is voor eiseres.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.