De rechtbank Den Haag heeft op 2 juli 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die is veroordeeld voor medeplegen van het verkopen en afleveren van goederen bestemd voor grootschalige hennepteelt en deelname aan een criminele organisatie. Het onderzoek vond plaats tijdens terechtzittingen in mei en juni 2025.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde via zijn onderneming wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, geschat op €265.693,78, over de periode van 6 april 2016 tot en met 21 mei 2019. Dit bedrag bestaat uit salaris en privé-onttrekkingen uit de onderneming. De omzet werd geacht volledig afkomstig te zijn van illegale activiteiten, mede vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie en het aanbod van producten uitsluitend geschikt voor hennepteelt.
De vordering tot ontneming van opbrengsten uit goederen ingekocht in Spanje door medeverdachten werd afgewezen, omdat de veroordeelde daarvoor niet schuldig werd bevonden. De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaar, maar zag geen reden tot matiging van de betalingsverplichting. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om het bedrag van €265.693,78 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.