De rechtbank Den Haag heeft op 2 juli 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €142.589,60.
Tijdens de terechtzittingen in mei en juni 2025 is het standpunt van de officier van justitie en de verdediging besproken. De verdediging betoogde primair niet-ontvankelijkheid van de vordering en subsidiariteit op een lagere schatting van het voordeel, maar dit werd door de rechtbank verworpen. De rechtbank oordeelde dat de wijziging in de grondslag van de vordering niet in strijd is met de goede procesorde.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op een 8% opslag op betaalde facturen aan een Spaans bedrijf door verschillende BV's, met een totaalbedrag van €1.782.370, waaruit de veroordeelde haar voordeel ontving. De rechtbank verwierp de stelling van de verdediging over een verdeling van opbrengsten en kosten. De betalingsverplichting is vastgesteld op het volledige bedrag van €142.589,60, ongeacht draagkracht, en de maximale gijzelingstermijn is bepaald op 1080 dagen.
De rechtbank concludeerde dat er geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden en verklaarde de officier van justitie ontvankelijk in zijn vordering tot ontneming.