ECLI:NL:RBDHA:2025:11767

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
NL25.12534
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek uit Nederland

Eiser diende op 31 december 2024 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. Deze aanvraag werd op 14 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing. Tijdens de zitting op 2 juli 2025 in Breda verscheen eiser niet en liet ook niets van zich horen. De gemachtigde van eiser meldde dat eiser op 23 mei 2025 had laten weten Nederland te hebben verlaten.

De rechtbank vernam dat eiser zich op dat moment in Zwitserland bevond en daar op 26 mei 2025 asiel had aangevraagd. Nederland had het terugnameverzoek van Zwitserland geaccepteerd, maar eiser was nog niet overgedragen. Gezien deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat eiser niet langer prijs stelde op internationale bescherming in Nederland en daardoor geen procesbelang meer had.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier Ż.A. Meinert op 2 juli 2025 en openbaar geanonimiseerd gepubliceerd.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12534
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Eiser heeft op 31 december 2024 een asielaanvraag voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Beoordeling door de rechtbank

1. In deze zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden bekend. De rechtbank heeft ter zitting van verweerder vernomen dat eiser per 6 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank constateert dat eiser niet is verschenen ter zitting en ook niets van zich heeft laten horen. De gemachtigde van eiser heeft op 3 juni 2025 laten weten dat hij op 23 mei 2025 van eiser heeft vernomen dat eiser Nederland heeft verlaten. Daaruit leidt de gemachtigde van eiser af dat er geen procesbelang aanwezig is. Verder heeft de rechtbank vernomen dat eiser op dit moment in Zwitserland is en op 26 mei 2025 daar asiel heeft aangevraagd. Het terugnameverzoek van Zwitserland is door Nederland geaccepteerd, maar eiser is nog niet overgedragen.
2. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.