Art. 111 lid 2 onder m RvArt. 21 RvArt. 149 RvArt. 121 lid 1 RvArt. 121 lid 2 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rolbeslissing verstekverlening wegens nietigheidsgebrek dagvaarding en onvoldoende onderzoek woonplaats gedaagde
In deze civiele procedure vordert eiseres een verstekverlening tegen drie gedaagden, waarvan één zonder bekende woon- of verblijfplaats. De dagvaarding is op 6 en 7 maart 2025 betekend, met een eerste rolzitting op 18 juni 2025. De rechtbank beoordeelt of de betekening en kennisgeving van de dagvaarding zodanig is geschied dat verstek kan worden verleend.
De rechtbank constateert dat de exploten niet voldoen aan de vereisten van artikel 111 lid 2 onderPro m Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat zij niet de verplichte informatie en rechtsgevolgen vermelden die sinds 1 januari 2025 verplicht zijn. Dit nietigheidsgebrek leidt ertoe dat verstek niet kan worden verleend. Daarnaast is onduidelijk of voldoende onderzoek is verricht naar de woon- of verblijfplaats van gedaagde 3, die openbaar is opgeroepen volgens artikel 54 lid 2 RvPro.
Eiseres heeft onvoldoende maatregelen genomen om het adres van gedaagde 3 te achterhalen, zoals het gebruik van bekende e-mailadressen of telefoonnummers, of het betekenen aan het adres van de andere gedaagden waarvan gedaagde 3 bestuurder is. De rechtbank wijst een nieuwe roldatum toe op 1 oktober 2025 en geeft eiseres gelegenheid de dagvaarding te herstellen en nadere toelichting te geven. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.
Uitkomst: Verstek wordt niet verleend wegens nietigheidsgebrek in de dagvaarding en onvoldoende onderzoek naar de woonplaats van gedaagde 3; zaak aangehouden tot 1 oktober 2025.
Uitspraak
rolbeslissing
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/686862 / HA ZA 25-533
Rolbeslissing van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. H.J. Hagemans te Amsterdam,
tegen
1.HOLLANDSCHE VASTGOED EN INVESTERINGS GROEP B.V. te Den Haag,
2. [gedaagde sub 2] B.V.te [vestigingsplaats 2] ,
3. [gedaagde sub 3]zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
gedaagden,
niet verschenen.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaardingen van 6 en 7 maart 2025, met producties, tegen de eerste rolzitting van 18 juni 2025.
2.De beoordeling
2.1.
Beoordeeld moet worden of de betekening en kennisgeving van de dagvaarding aan gedaagden op zodanige wijze is geschied dat de rechtbank nu verstek kan verlenen.
ten aanzien van alle gedaagden2.2. De rechtbank constateert dat zowel de aan gedaagden 1 en 2 betekende dagvaarding als de aan gedaagde 3 betekende dagvaarding niet voldoet aan artikel 111 lid 2 onderPro m Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), nu de exploten niet vermelden de in artikel 21 RvPro genoemde verplichting en de in artikel 149 RvPro genoemde rechtsgevolgen die intreden indien de in de dagvaarding gestelde feiten en rechten door de gedaagde niet (voldoende) worden betwist. Een en ander zoals verplicht sinds de inwerkingtreding van het nieuwe bewijsrecht per 1 januari jl. Dit nietigheidsgebrek maakt dat thans geen verstek tegen gedaagden kan worden verleend (artikel 121 lid 1 RvPro). Op grond van artikel 121 lid 2 RvPro bepaalt de rechtbank een nieuwe roldatum op 1 oktober 2025 welke door eiseres bij exploot aan gedaagden moet worden aangezegd op kosten van eiseres. Gelet op de gestelde onbekende woon- of verblijfsplaats van gedaagde 3, waarover hierna meer, is voor de nieuwe roldatum aangesloten bij de in artikel 115 lid 2 RvPro genoemde (lange) dagvaardingstermijn van ten minste 3 maanden.
verder ten aanzien van gedaagde 3
2.3.
Eiseres heeft gedaagde 3 opgeroepen op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 54 lid 2 RvPro. Deze wijze van betekening geldt als laatste redmiddel, nu de kans dat het exploot de beoogde ontvanger via deze wijze van betekening ter kennis komt zeer klein is, terwijl de bepalingen in de zesde afdeling van boek 1, titel 1 Rv tot doel hebben dat het te betekenen exploot de boogde ontvanger daadwerkelijk ter kennis komt. Op een eisende partij rust dan ook een onderzoeksplicht om bij onbekendheid van een adres van gedaagde partij nadere maatregelen te nemen om het adres te achterhalen.
2.4.
Uit de dagvaarding blijkt niet dat – behoudens een controle van het Rijksregister van België, alwaar gedaagde 3 eerder verbleef – dit onderzoek is verricht en welke maatregelen eiseres heeft genomen om het werkelijk verblijf van gedaagde 3 te achterhalen, bijvoorbeeld via een bij eiseres bekend e-mailadres en/of telefoonnummer van gedaagde 3. Ook is niet gebleken dat onderzocht is of de dagvaarding op de in het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel genoemde adres van gedaagden 1 en 2, waarvan gedaagde 3 (middellijk) bestuurder is, kan worden betekend. Eiseres wordt verzocht een en ander nader toe te lichten bij akte.
3.De beslissing
De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 1 oktober 2025;
3.2.
stelt eiseres in de gelegenheid om:
de dagvaarding ten aanzien van alle gedaagden bij herstelexploot uit te brengen met aanzegging van de hiervoor vermelde roldatum;
een akte zoals bedoeld onder 2.4 te nemen;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025. [1]