ECLI:NL:RBDHA:2025:1185

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2025
Publicatiedatum
31 januari 2025
Zaaknummer
NL24.52005
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 30 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat hij niet wist dat hij zich moest melden bij de korpschef. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet volstond en dat de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende waren.

Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, maar de rechtbank vond dat de minister adequaat had gehandeld, onder meer met meerdere aanmeldgehoorzittingen en communicatie.

De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52005
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Lazar. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1995] .
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en
nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser is uit Ter Apel vertrokken, maar wist niet dat hij zich vervolgens moest melden bij de korpschef. Als dit aan eiser bekend was gemaakt, dan had eiser zich wel gemeld.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. De gronden van de maatregel van bewaring zijn niet door eiser betwist. Uit die gronden en motiveringen blijkt dat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Duitsland heeft op 9 december 2024 een claimverzoek geaccepteerd. Sindsdien zijn er door de minister geen uitzettingshandelingen meer verricht.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Eiser heeft op 25 november 2024 een asielaanvraag ingediend en is daarna uitgenodigd voor een aanmeldgehoor op 2 december 2024 maar is hier niet verschenen. De minister heeft op 23 december 2024 een voornemen uitgebracht. In de brief van 6 januari 2025 heeft de minister medegedeeld dat het voornemen voorbarig is uitgebracht en dat opnieuw een gehoor is ingepland op 14 januari 2025. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 januari 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.