De minister van Asiel en Migratie legde op 30 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat hij niet wist dat hij zich moest melden bij de korpschef. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet volstond en dat de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende waren.
Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, maar de rechtbank vond dat de minister adequaat had gehandeld, onder meer met meerdere aanmeldgehoorzittingen en communicatie.
De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.