ECLI:NL:RBDHA:2025:11850

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28006
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 24 juni 2025 is opgelegd door verweerder. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken. Eiser betwist de gronden niet, maar stelt dat hij bereid is terug te keren naar Algerije met ondersteuning van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

De rechtbank stelt vast dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft dat een lichter middel niet volstaat, mede omdat eerdere toepassing van een lichter middel (verblijf in een vrijheidsbeperkende locatie) niet tot vertrek heeft geleid. Daarnaast is er sprake van gedragingen van eiser die overlast veroorzaken en geen concrete acties om terugkeer te faciliteren.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28006

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting is het onderzoek niet direct gesloten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om na afloop van de zitting het verslag van het vertrekgesprek van
16 juni 2025 te uploaden in het digitale dossier. De gemachtigde van eiser heeft op eveneens 2 juli 2025 gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een reactie op dit stuk in te dienen. Het onderzoek is gesloten op 3 juli 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking aan het toezicht daarmee is gegeven.
4. Eiser voert aan dat hij steeds heeft aangegeven dat hij wenst terug te keren naar Algerije en dat hij met behulp van IOM [4] op 9 juli 2025 naar Algerije zal vertrekken. Er kan dan ook niet worden gezegd dat eiser zijn terugkeer belemmert en hij had tot zijn vrijwillige vertrek kunnen verblijven op een andere locatie dan het detentiecentrum, bijvoorbeeld in een vbl. [5]
5. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Uit de gronden van de maatregel blijkt dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Verder heeft verweerder overwogen dat al eerder een lichter middel is toegepast, namelijk verblijf in een vbl, maar dat dit niet heeft geleid tot het daadwerkelijke vertrek van eiser. Ook heeft verweerder in de maatregel overwogen dat eiser heeft verklaard niet naar Algerije terug te willen keren en geen acties heeft ondernomen om zijn terugkeer mogelijk te maken. Verder blijkt uit de voorbeelden genoemd in het verslag van het vertrekgesprek van 16 juni 2025 dat eiser voor overlast zorgt op de COa-locatie. Dat eiser slechts stelt zich hierin niet te herkennen, is onvoldoende om niet van de inhoud van het verslag van het vertrekgesprek uit te gaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de huidige inspanningen van eiser om met behulp van IOM naar Algerije te vertrekken geen aanleiding hoeven zien te volstaan met het opleggen van een lichter middel.
6. De rechtbank ziet ook met inachtneming van de ambtshalve toets geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Internationale Organisatie voor Migratie.
5.Vrijheidsbeperkende locatie.