ECLI:NL:RBDHA:2025:11863

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28005
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring met verzwaarde belangenafweging ongegrond verklaard

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling geboren in 2000, is op 24 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet wegens risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzetting. Verweerder baseerde de maatregel op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan identiteitsonderzoek.

Eiser stelde dat verweerder geen verzwaarde belangenafweging had gemaakt, terwijl hij toen al bijna zes maanden in bewaring was. De rechtbank stelde vast dat verweerder wel degelijk een verzwaarde belangenafweging had gemaakt, waarbij onder meer werd meegewogen dat eiser niet meewerkte aan zijn uitzetting en een asielaanvraag indiende vlak voor een geplande uitzettingsvlucht.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd was, ondanks dat twee gronden (3c en 4b) niet waren toegelicht en daarom niet konden worden meegewogen. Er was geen reden om aan te nemen dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28005

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder zware grond 3c en lichte grond 4b niet heeft gemotiveerd. Bij zware grond 3c kan worden volstaan met een toelichting die laat zien dat de grond zich feitelijk voortdoet, maar die toelichting ontbreekt in de maatregel. Ook bij lichte grond 4b ontbreekt de feitelijke toelichting evenals de toelichting van het onttrekkingsrisico dat uit deze grond kan volgen. Verweerder heeft daarom niet zware grond 3c en lichte grond 4b aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen. De overige zware en lichte gronden (3a, 3b, 3d, 3e, 3i, 4a, 4c en 4d) zijn naar het oordeel van de rechtbank wel feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel dragen.
4. Eiser voert aan dat verweerder op 24 juni 2025 ten onrechte geen verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt, nu eiser op dat moment bijna zes maanden in bewaring was gesteld. Verweerder had niet tot de beslissing kunnen komen om eiser opnieuw in bewaring te stellen, omdat niet kort na de inbewaringstelling een uitzetting volgt. Dat eiser nog niet eerder is uitgezet, komt door de weigering van verweerder om aan eiser de van de Marokkaanse autoriteiten verkregen laissez-passer te tonen.
5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de maatregel blijkt dat verweerder een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. [4] Hierbij heeft verweerder onder meer betrokken dat eiser meermaals te kennen heeft gegeven niet mee te willen werken aan zijn uitzetting en ook geen inspanningen heeft verricht om het terugkeerproces te bespoedigen. Ook heeft verweerder bij de verzwaarde belangenafweging betrokken dat eiser op 7 april 2025 een asielaanvraag heeft ingediend, nadat hij kennis had genomen van een geplande vlucht op 10 april 2025. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de reden voor het indienen van de asielaanvraag op 7 april 2025 gelegen was in het voorkomen van de uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom de verzwaarde belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
6. Verder heeft verweerder toegelicht dat het geval van eiser een laissez-passer is ontvangen en voor hem een vlucht is gepland op 10 juli 2025. De rechtbank heeft ook geen redenen om aan deze mededeling te twijfelen. Voor zover eiser aanvoert dat hij niet op korte termijn wordt uitgezet, wordt hij daarin dan ook niet gevolgd.
7. De rechtbank ziet met inachtneming van de ambtshalve toets geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Zie pagina 4 van de maatregel van bewaring.