ECLI:NL:RBDHA:2025:11881

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
NL25.27549
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 94 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen maatregel van bewaring vreemdeling, opheffing per direct

De minister van Asiel en Migratie legde op 22 juni 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 4 juli 2025 via telehoor, waarbij eiser niet aanwezig was omdat hij verbleef in het Justitieel Complex Schiphol.

Volgens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet moet een vreemdeling binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift op zitting worden gehoord. Deze termijn eindigde op 6 juli 2025. Door technische en organisatorische beperkingen was het niet mogelijk om eiser tijdig te horen, wat buiten zijn risicosfeer lag. Hierdoor oordeelde de rechtbank dat de maatregel van bewaring per 4 juli 2025 onrechtmatig was en beveelde onmiddellijke opheffing.

De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de maatregel eerder onrechtmatig was en wees het verzoek om schadevergoeding af. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.814,-, die aan de rechtsbijstandsverlener moeten worden betaald. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is per 4 juli 2025 opgeheven en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten, schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27549

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Inleiding

1. De minister heeft op 22 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op vrijdag 4 juli 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser was niet op de zitting aanwezig. Gebleken is dat hij in het Justitieel Complex Schiphol verblijft. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw, moet een vreemdeling op de veertiende dag na de ontvangst van het beroepschrift worden gehoord. Het beroepschrift is op 22 juni 2025 ingediend en ontvangen. De termijn voor het horen op zitting eindigt daarom op zondag 6 juli 2025.
3. Op de zitting is gebleken dat eiser niet verblijft in het detentiecentrum Rotterdam, de locatie waar door de rechtbank een telehoorverbinding mee was gelegd. De gemachtigde van eiser was wel op het detentiecentrum in Rotterdam aanwezig. Zoals opgenomen in het procesverloop, verblijft eiser in het Justitieel Complex Schiphol. De rechtbank heeft de mogelijkheden voor het gelijktijdig realiseren van een telehoorverbinding met Rotterdam en Schiphol onderzocht. Dit is echter niet mogelijk gebleken. Dit ligt naar het oordeel van de rechtbank buiten de risicosfeer van eiser. Het staat dan ook vast dat de termijn voor het horen van eiser, niet gehaald kan worden. Dit omdat het niet mogelijk is om eiser gedurende het weekend alsnog te horen. Hieruit volgt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag onrechtmatig moet worden geacht.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel op een eerder moment dan vandaag opgeheven had moeten worden. Zowel de door eiser aangevoerde schriftelijke gronden als de ambtshalve toets leidt niet tot de conclusie dat de maatregel tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.
5. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.