De minister van Asiel en Migratie legde op 22 juni 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 4 juli 2025 via telehoor, waarbij eiser niet aanwezig was omdat hij verbleef in het Justitieel Complex Schiphol.
Volgens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet moet een vreemdeling binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift op zitting worden gehoord. Deze termijn eindigde op 6 juli 2025. Door technische en organisatorische beperkingen was het niet mogelijk om eiser tijdig te horen, wat buiten zijn risicosfeer lag. Hierdoor oordeelde de rechtbank dat de maatregel van bewaring per 4 juli 2025 onrechtmatig was en beveelde onmiddellijke opheffing.
De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de maatregel eerder onrechtmatig was en wees het verzoek om schadevergoeding af. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.814,-, die aan de rechtsbijstandsverlener moeten worden betaald. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.