AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak met proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 12 augustus 2024, waarin werd besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV) of artikel 8 EVRMPro.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 mei 2025 samen met een gerelateerde zaak. Gezien de uitspraak in de bodemzaak (zaaknummer NL24.35164) achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af.
Verzoeker werd vrijgesteld van het griffierecht. Gezien de uitkomst van de bodemzaak werd de Minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker, vastgesteld op € 907,00, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De proceskostenvergoeding moet worden betaald aan de rechtsbijstandverlener omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter S.G.M. van Veen op 18 juni 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen en de Minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 907,00.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35165
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder beslist dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV1 of op grond van artikel 8 EVRMPro.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL24.35164, op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL24.35164, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
1. Op grond van artikel 3.48, tweede lid, onder b, Vb juncto B8/6 Vc.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 juni 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.