ECLI:NL:RBDHA:2025:11914

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
NL25.12098
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens hernieuwde behandeling reeds vernietigd besluit asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een aanvullend besluit van de minister waarin een voorlopig uitstel van vertrek werd verleend en waarin tevens werd bevestigd dat zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond was afgewezen. Eerder had de rechtbank het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen een gestelde termijn.

Het beroep dat eiser nu instelde, betrof feitelijk een hernieuwd beroep tegen hetzelfde besluit dat reeds was vernietigd. De rechtbank oordeelde dat het ne bis in idem-beginsel van toepassing is en dat eiser geen nieuw belang had bij het beroep, mede omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.

De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en behandelde de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter S.G.M. van Veen en griffier M.M.A.F.C. Lienaerts op 16 juni 2025 in Utrecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard omdat het een hernieuwd beroep betreft tegen een reeds vernietigd besluit en de termijn voor een nieuw besluit nog niet verstreken is.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van 13 maart 2025 dat eiser heeft ingesteld tegen het aanvullende besluit van de minister van 6 maart 2025 waarin is vermeld dat eiser een voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw). Dit uitstel van vertrek geldt van 6 maart 2025 tot 6 september 2025. Tevens wordt in het besluit van 6 maart 2025 vermeld dat met het besluit van 9 december 2024 de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft partijen op 2 mei 2025 om aanvullende informatie verzocht. Eiser heeft op 9 mei 2025 aanvullende informatie aan de rechtbank toegestuurd en de minister heeft op 12 mei 2025 aanvullende informatie toegezonden.
1.3.
De minister heeft op 14 mei 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting en zijn niet verschenen.

Is het beroep ontvankelijk?

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 december 2024 inhoudende de afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Dit beroep (zaaknummer NL24.50277), is bij uitspraak1 van deze rechtbank van 18 maart 2025 gegrond verklaard en de minister is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De termijn voor het nemen van dit nieuwe besluit verstrijkt op 10 juni 2025.
1. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht 18 maart 2025, ECLI:L:RBDHA:2025:4505.
2.1
Vervolgens heeft eiser op 13 maart 2025 een beroepschrift ingediend tegen het besluit van 6 maart 2025. Eiser heeft in zijn beroepschrift benadrukt dat hij slechts partieel beroep instelt tegen de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank vast dat eiser feitelijk voor de tweede keer beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 9 december 2024 inhoudende de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag. Dit besluit is met de uitspraak van 18 maart 2025 reeds vernietigd en de termijn die de rechtbank aan de minister heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit is nog niet verstreken. Uit de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt, dat een zelfde geschil niet twee keer aan de rechter kan worden voorgelegd (ne bis in idem beginsel).Voorts en ten overvloede stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang heeft bij het onderhavige beroep. Dat betekent dat het op 13 maart 2025 ingediende beroepschrift niet- ontvankelijk is.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 juni 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.