ECLI:NL:RBDHA:2025:11985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28159
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende motivering gevaar voor openbare orde

De minister legde op 18 juni 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c en d van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De minister tilde de c-grond tijdens de zitting op, maar handhaafde de d-grond, gebaseerd op een eerdere veroordeling van eiser voor een drugsdelict.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actueel en ernstig gevaar voor de openbare orde vormde, zoals vereist volgens het arrest J.N. van het Hof van Justitie. Hierdoor was de bewaring onrechtmatig vanaf het moment van oplegging tot de opheffing op 4 juli 2025.

De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €1.700,- voor 20 dagen onrechtmatige detentie en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.814,-. Het beroep werd gegrond verklaard en de overige beroepsgronden werden niet meer behandeld.

Uitkomst: De bewaring is onrechtmatig opgelegd en eiser krijgt een schadevergoeding van €1.700,- en proceskosten van €1.814,- toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28159

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

van Surinaamse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Inleiding

1. De minister heeft op 18 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c en onder d van de Vw [1] opgelegd.
1.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 4 juli 2025 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Zijn gemachtigde is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de
vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c (c-grond) en d (d-grond) van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen.
3.1.
Ten aanzien van de c-grond heeft de minister overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3.2.
De minister heeft daarnaast overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde, omdat eiser is veroordeeld voor een misdrijf in het kader van de Opiumwet (de d-grond).
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De minister heeft de c-grond op de zitting ingetrokken.
6. Eiser voert aan dat ook de d-grond ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser is één keer veroordeeld en deze enkele veroordeling is onvoldoende om de bewaring te kunnen baseren op de d-grond. Eiser vormt geen daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest J.N. [2] van het Hof van Justitie volgt dat voor het kunnen tegenwerpen van de d-grond, de minister moet motiveren dat het persoonlijke gedrag van een vreemdeling een werkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving of de interne of externe veiligheid van de betrokken lidstaat aantast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit in de zaak van eiser onvoldoende gedaan. In de maatregel wordt slechts aangegeven dat eiser een zwaar drugsdelict heeft gepleegd en hier een gevangenisstraf van 34 maanden voor heeft uitgezeten. Met deze enkele verwijzing naar het delict en de aan eiser opgelegde straf, is volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser een werkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde oplevert. De d-grond is daarmee ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag is opgelegd. Hieruit volgt dat de bewaringsmaatregel van aanvang af, te weten vanaf 18 juni 2025 tot aan de opheffing daarvan op 4 juli 2025, onrechtmatig is geweest. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren. Nu deze beroepsgrond slaagt, ziet de rechtbank geen aanleiding meer voor de bespreking van de overige beroepsgronden.
8. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 20 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel van
17 x € 100,00- (verblijf detentiecentrum) = € 1.700,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.700,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2016, C-601/15 PPU, EU:C:2016:84.