Eiser diende bezwaar in tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag door de minister van Buitenlandse Zaken. De minister verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift geen gronden zou bevatten. De rechtbank oordeelt dat eiser wel degelijk concrete bezwaargronden heeft aangedragen in brieven na het eerste bezwaarschrift, waarin hij onder meer zijn eerdere verblijf in Nederland, betrouwbaarheid en oprechte intenties aanvoert.
De rechtbank stelt dat aan een bezwaarschrift geen hoge motiveringseisen worden gesteld en dat een summiere, maar concrete onderbouwing voldoende is. Het niet invullen van de 'Vragenlijst visumaanvraag' doet hieraan niet af. Daarom is het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar onterecht.
De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op om alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van €907,-. De rechtbank laat overige geschilpunten over latere stukken onbesproken.