ECLI:NL:RBDHA:2025:11994

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
NL25.8364
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar visumaanvraag

Eiser diende bezwaar in tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag door de minister van Buitenlandse Zaken. De minister verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift geen gronden zou bevatten. De rechtbank oordeelt dat eiser wel degelijk concrete bezwaargronden heeft aangedragen in brieven na het eerste bezwaarschrift, waarin hij onder meer zijn eerdere verblijf in Nederland, betrouwbaarheid en oprechte intenties aanvoert.

De rechtbank stelt dat aan een bezwaarschrift geen hoge motiveringseisen worden gesteld en dat een summiere, maar concrete onderbouwing voldoende is. Het niet invullen van de 'Vragenlijst visumaanvraag' doet hieraan niet af. Daarom is het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar onterecht.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op om alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van €907,-. De rechtbank laat overige geschilpunten over latere stukken onbesproken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt vernietigd.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8364
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Aboukir),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2024 heeft de minister de visumaanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift van eiser geen gronden bevatte. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Iemand die bezwaar instelt moet onderbouwen waarom hij het niet eens is met het besluit. Dat worden ‘bezwaargronden’ genoemd.2 Indien hieraan niet is voldaan, dan kan dit bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een door hem daartoe gestelde termijn.3
3. Volgens vaste rechtspraak worden in het algemeen geen hoge eisen aan de motivering van een bezwaarschrift gesteld. Dit brengt mee dat in de regel ook een summiere onderbouwing al kan worden geaccepteerd als een bezwaargrond. Deze bezwaargrond moet dat wel concreet zijn.
4. De rechtbank stelt voorop dat het inleidende bezwaarschrift van eiser van 5 augustus 2024 geen bezwaargronden bevat. Op 7 oktober 2024 heeft de minister eiser herstel verzuim geboden om de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ in te vullen en de gronden van het bezwaarschrift in te dienen. In reactie hierop heeft eiser op 28 oktober 2024 aan de minister verzocht om stukken toegezonden te krijgen. Tevens heeft eiser ter sauvering van de hersteltermijn aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat wordt getwijfeld aan het voornemen van eiser om binnen de termijn van het aangevraagde visum terug te keren naar zijn land van herkomst. Volgens eiser heeft de minister bij dat standpunt niet betrokken dat eiser eerder in Nederland heeft verbleven, dat hij betrouwbaar is en dat hij oprechte intenties heeft.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
3 Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
5. De minister heeft eiser op 14 november 2024 wederom herstel verzuim geboden om bezwaargronden in te dienen en de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ in te vullen. Bij brief van 5 december 2024 heeft eiser hierop gereageerd. Hij heeft aangevoerd dat hij kan aantonen dat hij over voldoende regelmatige inkomsten beschikt en dat hij zijn beoogde verblijf- en reisdoel (bezoek aan zijn zus) voldoende heeft aangetoond. Verder heeft eiser verzocht om een nadere termijn te verlenen voor het invullen van de ‘Vragenlijst visumaanvraag’. De minister heeft dit verzoek bij brief van 17 december 2024 gehonoreerd.
6. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de brieven van eiser van 28 oktober 2024 en 14 november 2024 concrete bezwaargronden. Uit deze gronden blijkt namelijk afdoende waarom eiser het niet eens is met het besluit van 22 juli 2024. Artikel 6:5 van Pro de Awb stelt geen eisen aan de gefundeerdheid van de grond van het bezwaar. Om die reden heeft de minister ten onrechte een verzuim als bedoeld in die bepaling aanwezig geacht. Dat de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ niet ingevuld toegezonden is naar de minister doet hier niet aan af.
7. Al hierom heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het besluit van 22 juli 2024 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. De rechtbank laat de overige geschilpunten over stukken die eiser na 17 december 2024 wel of niet per fax bij de minister zou hebben ingediend onbesproken.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit op bezwaar;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 907,- te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 juni 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.