ECLI:NL:RBDHA:2025:11995
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten wegens vertraagde beslissing machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarop verzoekster beroep instelde. Op 7 april 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet is gekomen aan het beroep door alsnog te beslissen. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener, werd de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 453,50, inclusief het griffierecht.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van dit bedrag aan verzoekster. Er was geen noodzaak tot zitting, en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 12 juni 2025.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoekster.