ECLI:NL:RBDHA:2025:12021
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker diende op 10 april 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening in bij de rechtbank Den Haag. De voorzieningenrechter besloot partijen niet uit te nodigen voor een zitting omdat het verzoekschrift niet voldeed aan de wettelijke eisen.
Volgens artikel 8:81 en Pro 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht moet een verzoeker die een voorlopige voorziening vraagt tijdens een lopende bezwaar- of beroepsprocedure gronden aanvoeren waarom het verzoek wordt ingediend. Verzoeker heeft dit nagelaten en ook niet gereageerd op een brief van de griffier waarin hem werd gevraagd binnen twee weken nadere toelichting te geven.
Daarom kon de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk behandelen en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:83 Awb Pro. Verzoeker krijgt geen gelijk en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet reageren op een verzoek tot nadere toelichting.