ECLI:NL:RBDHA:2025:12021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
NL25.17262
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:5 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Verzoeker diende op 10 april 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening in bij de rechtbank Den Haag. De voorzieningenrechter besloot partijen niet uit te nodigen voor een zitting omdat het verzoekschrift niet voldeed aan de wettelijke eisen.

Volgens artikel 8:81 en Pro 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht moet een verzoeker die een voorlopige voorziening vraagt tijdens een lopende bezwaar- of beroepsprocedure gronden aanvoeren waarom het verzoek wordt ingediend. Verzoeker heeft dit nagelaten en ook niet gereageerd op een brief van de griffier waarin hem werd gevraagd binnen twee weken nadere toelichting te geven.

Daarom kon de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk behandelen en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:83 Awb Pro. Verzoeker krijgt geen gelijk en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet reageren op een verzoek tot nadere toelichting.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17262
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 10 april 2025.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoekschrift indient, terwijl er ook een bezwaar/beroepsprocedure loopt, moet uitleggen waarom hij het verzoek indient. Dat worden ‘gronden’ genoemd. Dit staat in artikel 8:81 en Pro artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt, is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen gronden zijn genoemd. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoeker niets aan kan doen.
3. De griffier heeft verzoeker op 17 april 2025 een brief gestuurd, waarin staat dat hij binnen twee weken in een brief moet zeggen waarom hij het niet eens is met het besluit en waarom hij een verzoekschrift indient. Verzoeker heeft niet gereageerd op deze brief.
4. Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak over het verzoek doen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 Awb Pro).
5. Verzoeker krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
1. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekend gemaakt op:
18 juni 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.