Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 2 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die door de minister op 17 april 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. De minister baseerde dit op het feit dat eiser sinds 28 november 2016 internationale bescherming geniet in Duitsland, hetgeen door Duitse autoriteiten bevestigd is.
Eiser voerde aan dat hij materieel geen bescherming geniet in Duitsland, omdat hij sinds januari 2023 geen geldig verblijfsdocument heeft, en dat hij geen verlenging kon verkrijgen vanwege administratieve en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde echter dat het formele beschermingsstatus blijft bestaan en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij niet in staat zou zijn geweest om zijn verblijfsvergunning te verlengen.
De rechtbank benadrukte het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Nederland ervan uit mag gaan dat Duitsland de bescherming conform internationale normen waarborgt. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen geleverd die dit vermoeden weerleggen. Ook het bevel om onmiddellijk naar Duitsland terug te keren is volgens de rechtbank in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser moet terugkeren naar Duitsland. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.