ECLI:NL:RBDHA:2025:12028
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland
Eiser, een Somalische nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid, onder meer vanwege een summier aanmeldgehoor en het ontbreken van vragen over relevante artikelen van de Dublinverordening. Tevens betwistte hij de juistheid van informatie in het dossier en verwees naar recente berichten over mogelijke schendingen aan de Duitse grens.
De rechtbank oordeelde dat het aanmeldgehoor voldoende was en dat eiser de Eurodac-registratie in Duitsland niet had betwist, waardoor de minister mocht uitgaan van de juistheid daarvan. Ook was het dossier conform regelgeving opgesteld en had eiser de mogelijkheid tot aanvullingen niet benut.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, waarbij de rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met het EVRM of het Handvest. Concrete aanwijzingen voor nader onderzoek ontbraken.
Daarom werd het beroep kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.