ECLI:NL:RBDHA:2025:12049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
NL25.23588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitECLI:EU:C:2024:892 (Arrest Ararat)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, werd op 13 mei 2025 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat het onderliggende terugkeerbesluit van 16 juli 2021 onvoldoende was gemotiveerd, verwijzend naar het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De rechtbank oordeelde echter dat het terugkeerbesluit in rechte vaststaat en niet meer ter toetsing ligt in deze procedure. De vraag was of de minister het besluit terecht als grondslag voor de maatregel van bewaring mocht aanmerken, wat werd bevestigd. De gronden voor de maatregel, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de weigering om mee te werken aan terugkeer, werden niet betwist.

Daarnaast was de motivering van de minister dat een lichter middel niet volstaat voldoende, mede gezien het verstreken vertrektermijn en de weigering van eiser om terug te keren. De rechtbank concludeerde dat de maatregel tot het moment van sluiting van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23588
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Ankomah. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
Het terugkeerbesluit
2. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 16 juli 2021 niet ten grondslag kan worden gelegd aan de maatregel van bewaring, omdat dat besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verwijst in dit verband op het arrest Ararat van 17 oktober 2024.1
3. Omdat het terugkeerbesluit van 16 juli 2021 in rechte vaststaat, ligt in deze procedure niet ter toetsing voor of aan dat besluit een gebrek kleeft waardoor het onrechtmatig is. De vraag of dit besluit voldoende is gemotiveerd, kan in deze procedure dan ook niet meer worden beoordeeld. In deze procedure ligt ambtshalve wel de vraag voor of de minister dat besluit terecht heeft aangemerkt als terugkeerbesluit dat hij aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2024:892.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden en de motivering daarvan de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering daarvan volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Daar komt bij dat de aan eiser geboden vertrektermijn al lang is verstreken en eiser tot op heden geen actie heeft ondernomen om Nederland te verlaten. Eiser heeft meermaals in vertrekgesprekken en in het gehoor voorafgaand aan de bewaring verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Nigeria. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.