Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 10 mei 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 21 mei 2025 opgeheven vanwege vormfouten en omdat deze grondslag niet aan een Unieburger kan worden opgelegd.
Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om toekenning van schadevergoeding. De minister bood een schadevergoeding van € 1.200,- en proceskosten van € 907,- aan, maar eiser vond dit onvoldoende en handhaafde het beroep.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was en dat het beroep daarom gegrond is. Er was echter geen aanleiding om een hogere schadevergoeding toe te kennen dan de gebruikelijke vergoeding per dag voor onrechtmatig verblijf in detentie. Eiser had niet onderbouwd dat hij meer dan gebruikelijk had geleden, noch waren bijzondere omstandigheden aanwezig.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor 12 dagen onrechtmatige detentie à € 100 per dag, totaal € 1.200,-, en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van € 1.814,-. Het vonnis werd uitgesproken op 27 juni 2025 en is openbaar.