De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling van Poolse nationaliteit tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde dat zijn verblijf in Nederland rechtmatig was beëindigd en dat hij op weg was naar België om daar te wonen en werken.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had geconcludeerd dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd. Ondanks zijn uitzetting naar Polen in februari 2025, was hij kort daarna weer in Nederland aangetroffen en zelfs aangehouden voor een strafbaar feit. De minister had voldoende gronden om de maatregel van bewaring te handhaven vanwege het risico op onttrekking aan toezicht.
De rechtbank verwierp het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat de vreemdeling geen onderbouwing gaf voor zijn beoogde verblijf en werk in België. Ook concludeerde de rechtbank ambtshalve dat de maatregel tot het moment van sluiting van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.