De rechtbank Den Haag behandelde op 2 juni 2025 het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen de door de minister van Asiel en Migratie opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser stelde dat zijn ophouding op een onjuiste wettelijke grondslag had plaatsgevonden, namelijk artikel 50, tweede lid, terwijl dit artikel 50, derde lid, had moeten zijn.
De minister erkende het formele gebrek, maar stelde dat de juiste grondslag aanwezig was en dat het belang van de minister om de bewaring voort te zetten zwaarder woog. De rechtbank volgde deze redenering en oordeelde dat het gebrek in de ophouding beperkt was en dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitviel. De gronden voor de bewaring, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, werden niet betwist en voldoende gemotiveerd geacht.
Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast, onder meer om afscheid te kunnen nemen van zijn zwangere vriendin. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, mede omdat bezoek en telefonisch contact mogelijk waren. Ook stelde de rechtbank vast dat de minister voortvarend handelde met het vertrekgesprek en de vluchtaanvraag.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser vanwege het formele gebrek in de ophouding. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.