ECLI:NL:RBDHA:2025:12091

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
AWB 25.1996
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Emaus-Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing verblijfsrecht na beëindiging op grond van terugtrekkingsakkoord

Verzoeker heeft tegen het besluit van de minister tot beëindiging van zijn verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Tegelijkertijd verzocht hij om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker geen middelen van bestaan heeft en dreigt zijn huis te verliezen. Dit blijkt uit stukken van onder meer Housing First, het Leger des Heils en betalingsachterstanden bij de zorgverzekeraar.

Gelet op de complexiteit van de zaak wordt volstaan met een belangenafweging. De voorzieningenrechter acht het noodzakelijk het besluit te schorsen tot de uitspraak in de bodemprocedure, die gepland staat op 22 augustus 2025. De minister heeft geen belangen aangevoerd die zich tegen schorsing verzetten.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en veroordeelt de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarmee toegewezen en het bestreden besluit geschorst.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht wordt geschorst tot uitspraak in de bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1996

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Bij besluit van 25 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de minister vastgesteld dat het verblijfsrecht van verzoeker op grond van het Terugtrekkingsakkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk [1] is geëindigd.
1.1.
Bij besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Op 28 januari 2025 heeft verzoeker tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. [2] Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort totdat op het beroep is beslist.
1.3.
Na het instellen van het beroep en het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen heeft verzoeker de rechtbank/voorzieningenrechter per e-mail meermalen berichten gestuurd om zijn beroep en verzoek verder toe te lichten.
1.4.
De minister heeft op 27 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
1.5.
De voorzieningenrechter doet op het verzoek uitspraak zonder zitting, omdat partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad en direct actie vereist is. [3] Partijen hebben beiden gelegenheid gehad om schriftelijk hun standpunten aan de voorzieningenrechter toe te lichten en daar ook gebruik van gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. In artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht staat dat de voorzieningenrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In dit geval moet, zo begrijpt de voorzieningenrechter het verzoek, de vraag worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat het bestreden besluit en het primaire besluit, dat daarbij in stand is gelaten, moeten worden geschorst.
Spoedeisend belang
3. Verzoeker betoogt dat hij een spoedeisend belang heeft, omdat de minister hem niet toestaat om, totdat op het beroep is beslist, de rechten die voortvloeien uit zijn gestelde verblijfsrecht te effectueren. Verzoeker voert onder meer aan dat hij hierdoor geen inkomen of middelen van bestaan heeft en daardoor uit zijn huis dreigt te worden gezet.
3.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van een spoedeisend belang, omdat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij zijn huis dreigt kwijt te raken, dat inmiddels het Leger des Heils bij hem betrokken is en dat er ook geen andere signalen zijn dat het niet goed gaat met verzoeker.
3.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter leidt uit de overgelegde stukken van onder meer Housing First en het contact met het Leger des Heils af dat er signalen zijn dat verzoeker – mede doordat hij niet kan werken – geen middelen van bestaan heeft. Verzoeker heeft ook stukken van onder andere de zorgverzekeraar overgelegd waaruit blijkt van betalingsachterstanden. Gelet op het voorgaande volgt de voorzieningenrechter het standpunt van de minister dat het spoedeisend belang op geen enkele manier is onderbouwd niet.
Belangenafweging
4. Verzoekers zaak leent zich, gelet op de complexiteit, niet voor een (voorlopige) inhoudelijke beoordeling. De voorzieningenrechter volstaat daarom met een belangenafweging. Een inhoudelijke beoordeling volgt bij de behandeling van het beroep in de bodemprocedure, dat op 22 augustus 2025 op zitting is gepland.
4.1.
De voorzieningenrechter ziet op grond van deze belangenafweging aanleiding om het verzoek toe te wijzen en het bestreden besluit en het primaire besluit te schorsen tot de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats op het beroep. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de gevraagde voorziening alleen inhoudt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het primaire besluit worden opgeschort totdat op het beroep is beslist. Het niet treffen van de voorziening leidt er (onder meer) toe dat verzoeker gedurende de beroepsprocedure niet kan werken waardoor hij geen inkomen geen heeft. Dit heeft tot gevolg, zo stelt verzoeker, dat hij geen middelen van bestaan heeft en dat hij zijn huis uit wordt gezet en dat hij psychisch nog meer onder de huidige procedure gaat lijden.
4.2.
De minister heeft in de reactie van 27 juni 2025 geen belangen gesteld die zich verzetten tegen de toewijzing van de verzochte voorziening, maar heeft uitsluitend gesteld dat het verzoek niet moet worden toegewezen omdat het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. Aan de beoordeling van de kans van slagen van het beroep komt de voorzieningenrechter in deze uitspraak zoals onder 4. overwogen echter niet toe. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit en het primaire besluit zijn geschorst tot de uitspraak van de rechtbank op het beroep in de bodemprocedure is bekendgemaakt. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden. Verzoeker heeft € 194,- aan griffierecht betaald.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot de uitspraak van de rechtbank op het beroep in de bodemprocedure is bekendgemaakt;
  • veroordeelt de minister in de vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht tot een bedrag van € 194,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2025
griffier
voorzieningenrechter
de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie2019/C 384 I/01.
2.Het gaat om het beroep met zaaknummer AWB 25/2086.
3.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.